De Ordonnantie van Vuur en Licht is eveneens zeer gedetailleerd en diepgaand. We leren niet alleen de maatregelen voor brandpreventie kennen, maar we krijgen ook inzage in de dagelijkse werking van de Plantijnse drukkerij. In de winter was het vaak ijskoud in de drukkerij ondanks de brandende open haard en kachel. Letterzetters die het koud hadden mochten geen eigen vuurketel naast zich zetten. Even opwarmen kon wel bij de open haard of bij de kachel, maar het was wel verboden om haring te braden op de kachel. Bezoekers daarentegen zoals de vrouwen van de gezellen of de diensters van herbergen die bier kwamen brengen, mochten zich niet warmen aan de kachel van de drukkerij.
Zoals ik al had gezegd, was elke werknemer verantwoordelijk voor zijn eigen kaars. Als hun kaars brandde, moesten ze in de buurt blijven en er voortdurend op toezien. Als ze zich even wilden opwarmen aan de kachel, of om een andere reden hun werkplek even verlieten, dan moesten ze hun kaars doven met de domper. Het was de gezellen verboden om hun kaars met de hand te snuiten maar alleen met behulp van een snuiter. Als de snuiter vol snuitsel was, dan moest men de snuiter uitkuisen in de open haard, maar het snuitsel zeker niet op vloer gooien.
Doorgaans haalde men gloeiende kolen uit een reeds brandend vuur om een koude kachel aan te steken. Daarom drukte Balthasar Moretus de gezellen op het hart om tijdens het transport van de gloeiende kolen naar de kachels van de drukkerij en de correctorenkamer en naar het fornuis in de kelder goed op te letten dat er onderweg geen gloeiende kolen op de grond vielen. Brandbare zaken zoals papier en planken maar ook inkttonnen en vernispotten mochten niet naast of op de kachel gelegd worden. Ook voor de voorraad brandhout en steenkool golden strikte bewaarregels. Brandhout mocht niet naast de open haard blijven liggen, maar moest opgeborgen worden in een afgesloten kist. Hetzelfde gold voor de voorraad steenkool van de lettergieterij.
In de ruimtes waar veel brandbaar materiaal werd bewaard, was het verboden om open vuur te brengen. Hout halen uit de kelder moest bij voorkeur overdag gebeuren. Indien het toch nodig was om na het invallen van de duisternis hout uit de kelder te halen, dan kon dit met een gesloten lantaarn. De gezellen moesten dan steeds met twee naar de kelder gaan. Na het verlaten van de kelder, moesten ze goed toezien dat er geen gensters van de kaars zijn gevlogen en in de kelder blijven liggen. De vergaarders die de versgedrukte vellen op de zolders te drogen moesten hangen en de droge drukvellen terug moesten verzamelen, moesten dit ook zoveel mogelijk bij daglicht doen. Indien het toch niet anders kon dan ’s avonds op de zolders te werken, moesten ze steeds met twee gaan en met een gesloten lantaarn. Nadat ze klaar waren, moest één van de twee vergaarders zonder licht op de zolders rondgaan om te checken of alles veilig was.
In de Plantijnse drukkerij stonden de vergaarders op de laagste trede van de ladder. Daarom moesten zij de vuilste taken opknappen zoals de asse uit de kachels en open haarden naar de kelder te dragen. Hierbij mochten ze geen smeulende kolen in de asbak storten. De vergaarders voerden ook wekelijks het afval uit de drukkerij af. Ze moesten een rudimentaire vorm van afvalscheiding hanteren. Papierafval moest in een aparte zak gesorteerd worden. De gevonden loden letters moesten ze in de letterkamer bij de versleten letters sorteren. De lettergieters smolten dit zogenaamde ‘letterspijs’ en gebruikten het om nieuwe letters te gieten.
Overdag als de drukkers met daglicht werkten, brandde er toch één kaars in de drukkerij ter ere van de maagd Maria. Boven de twee oudste drukpersen ter wereld hangt een terracotta Mariabeeld dat Onze Lieve Vrouw van Loreto voorstelt. Vrijblijvende donaties van de werknemers zorgden ervoor dat er tijdens de werkuren steeds een kaars in de kaarsenhouder van het beeld brandde.