Plantijns grote zorg in zijn laatste jaren van zijn leven was de voortzetting van zijn uitgeverij. Als het bedrijf zou verdeeld worden tussen de vijf dochters en hun echtgenoten zou het opgesplitst worden in kleinere entiteiten die apart nooit dezelfde uitstraling zouden hebben als de Officina Plantiniana als geheel had. In 1588 lieten Plantijn en Jeanne Rivière daarom een nieuw testament opstellen waarin zij bepaalden dat alles zou toekomen aan de langstlevende echtgenoot en, wanneer die overleed, dat Jan Moretus de drukkerij en alles wat daarbij hoorde, zou erven. De andere persoonlijke bezittingen zoals de huizen die Plantijn bezat, zouden normaal verdeeld worden tussen de vijf dochters en hun echtgenoten.
In de brieven die Jan Moretus over Plantijns overlijden schreef, herhaalde hij telkens dat zijn schoonvader tijdens zijn laatste uren zijn kinderen aan zijn sterfbed had geroepen en hen had gevraagd steeds vrede onder elkaar te houden en eendrachtig te zijn: “enfants tenez tousjours paix, amour et concorde par ensemble”. Toen hij gestorven was en het testament bekend werd, kwam van deze woorden weinig in huis. Het was vooral Gillis Beys, de echtgenoot van Plantijns dochter Madeleine, die het testament trachtte te laten verbreken zodat de Officina Plantiniana verdeeld en verkocht zou kunnen worden. Dat schreef althans Jan Moretus twee jaar later toen hij met Beys in conflict lag over het gebruik van het Plantijnse drukkersmerk.