Wie woonde hier?

Vanuit hun Antwerpse uitvalsbasis drukten Plantijn en schoonzoon Jan I Moretus hun stempel op de uitgeverswereld. Hun Officina Plantiniana behoorde in geen tijd tot de top. Elke nieuwe generatie bouwde voort op het succes. En iedere bewoner droeg zijn of haar steentje bij: broers en zussen, neven en nichten, knechten en meiden. Viel er een man weg, dan nam diens vrouw het roer over. Meer nog: de weduwedrukkers ontpopten zich tot rasechte zakenvrouwen die de touwtjes stevig in handen hadden. 

Wie woonde hier?

Negen generaties aan het woord

Kortom: teamwork door de tijden heen. Het was voor de Moretussen de logica zelve. Wat oerdrukkers Christoffel en Jan hadden opgestart, moest en zou in ere worden gehouden en generatie na generatie verder worden uitgebouwd. Ook al omdat de drukkerij ook hun thuis was. En zo ook hun leven. Alles was met elkaar verweven. Dochters speelden, maar lazen ook drukproeven na. Moeders verzorgden, maar hielden in moeilijke tijden evengoed het bedrijf overeind. Allemaal speelden ze hun rol. En dus verdienen ze een podium. We stellen ze graag aan je voor.

Generatie 1 - Het gezin Plantijn-Rivière

Rond 1550 verhuizen Christoffel Plantijn en echtgenote Jeanne Rivière van Frankrijk naar Antwerpen, samen met dochters Margaretha, Martina, Catharina, Magdalena en Henrica. Het opzet? Meedeinen op de economische golf die door de stad stroomde. Met hard werken baant het migratiegezin zich een weg tot bij de elite. Door het succes van de drukkerij moet Plantijn zelfs op zoek naar een ruimer pand.

Peter Paul Rubens, Portret van Christoffel Plantin (1612-1616), Museum Plantin-Moretus, Antwerpen

In 1576 neemt de familie haar intrek in De Gulden Passer. Om er samen te wonen en samen te werken. Iedereen helpt mee. In de drukkerij, maar net zo goed in de kanthandel van Jeanne. Ondanks hun Franse afkomst hebben ze de taal snel onder de knie. Ook de vijf zussen. Buiten zijn het woelige tijden. Het gezin doorstaat de Beeldenstorm (1566), de Spaanse Furie (1576) én de Val van Antwerpen (1585).

“Ik leerde ze goed lezen en schrijven. Zo konden de eerste vier ons bijstaan vanaf de leeftijd van 4 of 5 tot 12 jaar, afhankelijk van hun leeftijd en positie in het gezin, door te helpen bij het lezen van proefdrukken in het schrift en de taal die werd voorgelegd voor de druk. […] Ik heb altijd goed in de gaten gehouden hoe ze zich allen stukje bij beetje ontwikkelden en wat het meest geschikt voor hen zou zijn om te doen.” 

Uit een brief van Christoffel Plantijn 

Tweede generatie - Jan Moretus en Martina Plantijn

De vijf Plantijn-zussen trouwen met andere drukkers en gerenommeerde handelaars. Zo komt de Officina in handen van dochter Martina en haar echtgenoot Jan I Moretus. Ze leerden elkaar kennen op de werkvloer. Jan I werkte al sinds zijn veertiende in de drukkerij en bleef haar altijd trouw. De talenknobbel met ondernemerstalent schopt het van winkelbediende tot Plantijns rechterhand.

Peter Paul Rubens, Portret van Martina Plantin (1633), Museum Plantin-Moretus, Antwerpen

Martina moet zeker niet onderdoen. Na haar werk in de kant- en boekhandel van haar ouders, neemt ze de communicatie en boekhouding van de drukkerij voor haar rekening. Het sterke koppel focust op  liturgisch en devotioneel drukwerk en stuwt de zaak naar ongekende hoogtes. Ondanks de vele privébeproevingen. Zoon Melchior kampt met mentale problemen en dochter Adriana sterft als tiener.  

“Hij heeft mij nooit in de steek gelaten, zelfs niet toen ik tegenslagen ondervond. Hij heeft mij ook nooit verlaten voor de beloften en aanbiedingen die anderen hem deden, zelfs niet toen ze hem rijke huwelijksvoorstellen en salarissen boden die ik niet kon evenaren.” 

Uit een brief van Christoffel Plantijn 

Derde generatie - Balthasar I Moretus, Jan II Moretus en Maria De Sweert

Na het overlijden van haar echtgenoot laat Martina het management over aan haar zonen Jan II en Balthasar I. Die laatste heeft de beroemde humanist Justus Lipsius als leermeester en schilder Peter Paul Rubens als boezemvriend. Opmerkelijk, want door zijn gedeeltelijke verlamming begeeft Balthasar zich amper onder de mensen. Om die reden runde hij de uitgeverij en Jan II de boekhandel. 

Het duo richt zijn pijlen op katholiek drukwerk voor de Spaanse markt. Om het vroege overlijden van Jan II op te vangen, richt diens vrouw Maria De Sweert samen met Balthasar en haar schoonbroer Jan Van Meurs een vennootschap op. Als mater familias concentreert ze zich liever op de zorg voor haar mentaal zwakke zoon Jan III Moretus. Maar door ruzie spat alles uit elkaar. Balthasar I is voortaan de enige stuurman. 

Vierde generatie - Balthasar II Moretus en Anna Goos

Maria De Sweert had nog een andere zoon: Balthasar II. Onder de hoede van mama en oom Balthasar I was hij de gedoodverfde opvolger als bedrijfsleider van de Plantijnse Drukkerij. Vanaf dag één ontsnapt niets aan zijn alziend oog. De controle- en lijstjesfreak documenteert het volledige reilen en zeilen, op het werk én thuis. Heel wat bronnen uit het bedrijfsarchief komen dan ook van zijn hand.

Jacob van Reesbroeck, Portret van Balthasar II Moretus, 1659, olieverf op doek, 662 × 506 mm
Jacob van Reesbroeck, Portret van Anna Goos, 1659, olieverf op doek, 663 × 510 mm, collectie stad Antwerpen, Museum Plantin-Moretus

Balthasar II en echtgenote Anna Goos zetten twaalf kinderen op de wereld. Maar moederkloek Anna – afkomstig uit een invloedrijke familie – heeft ook kaas gegeten van ondernemen. Hun investeringen in vastgoed en het succes van de drukkerij maken het gezin rijker dan ooit. Eens weduwe breidt ze het imperium eigenhandig verder uit. De Officina floreert, met dank aan Anna’s immense zakennetwerk.

Vijfde generatie - Balthasar III Moretus en Anna Maria de Neuf

De meeste kinderen van het gezin Moretus-Goos worden geestelijke, vier anderen sterven op jonge leeftijd. Dat bombardeert de welgemanierde Balthasar III tot dé nieuwe topman. Na zijn bijscholing in Parijs en Italië, huwt hij met handelaarsdochter Anna Maria de Neuf. Het feest duurt maar liefst drie dagen. Het legt een aloud familietrekje bloot: stevig uitpakken met welstand en sociale status.  

Anoniem, Portret van Anna-Maria de Neuf (1680-1699), Museum Plantin-Moretus, Antwerpen

Het levert Balthasar III de adelstand op. Het koppel baadt in luxe, maar staat er ook in moeilijke tijden. Zo reist Balthasar naar Madrid om de cruciale export naar Spanje te behouden. Al is het nog steeds moeder Anna die de plak zwaait. Pas wanneer haar zoon vroeg sterft, treedt schoondochter de Neuf naar voor. Met haar zakelijk instinct redt ze het bedrijf uit de klauwen van de economische recessie.

“[…] en bovendien zal mijn intentie, wil en begeerte altijd wezen, dat de Plantijnse Drukkerij, en alle handel die ervan afhangt, in bezit blijft van de familie Moretus, en bij voorkeur een mannelijke erfgenaam, zolang als de familie zal voortbestaan.” 

Uit het testament van Anna Maria de Neuf   

Zesde generatie - Balthasar IV Moretus en Isabella Jacoba de Mont, Joannes Jacobus Moretus en Theresia Mathilde Schilders

In haar testament duidt Anna Maria de Neuf haar zonen Balthasar IV en Joannes Jacobus Moretus aan als opvolgers. Ze gaan verder op de ingeslagen weg, maar verwerven vooral rijkdom door de winst en het familiekapitaal te investeren in aandelen. De broers begeven zich in de hoogste kringen van de stad en laten het breed hangen: riante buitenverblijven, veel grond en een hele schare personeel. 

Echtgenotes Isabella Jacoba de Mont en Theresia Mathilde Schilders laten het zich welgevallen. Al geven beide koppels ook heel wat geld uit aan armenzorg. Opvallend: Balthasar IV is de allerlaatste telg van de familie die een drukkersopleiding volgt. Een microbe die niet overslaat op zijn kinderen. Die tonen na zijn dood nauwelijks interesse in het bedrijf en dragen hun erfdeel over aan oom Joannes. 

“Ik heb vernomen dat je je bereid hebt gevonden om samen met mij het bedrijf voort te zetten, en dit op de wijze zoals uiteengezet in het testament van onze dierbare overleden moeder […]; Dat is heel goed, en ik twijfel er geen moment aan dat dit een mooie samenwerking en een broederlijke verstandhouding zal zijn.” 

Uit een brief van Balthasar IV Moretus 

Zevende generatie - Franciscus Joannes Moretus en Maria Theresia Borrekens

Het onvermijdelijke gebeurt dan toch: de lucratieve handel met het Spaanse wereldrijk stokt. Joannes’ zoon Franciscus Joannes Moretus en diens echtgenote Maria Theresia Borrekens kunnen het tij niet keren en zien de Officina Plantiniana vervallen tot een derderangsdrukkerij. Toch geven ze niet op. Met Parijs en Londen boort het koppel nieuwe markten aan. Tevergeefs. De productie valt alsmaar verder terug. 

Philip Joseph Tassaert, Portret van Maria Theresa Borrekens (1762), Museum Plantin-Moretus, Antwerpen

Tegen beter weten in en gedreven door eerzucht, investeren ze in een bombastische voorgevel. Maar de echte innovaties blijven uit. Wanneer universitair en financieel expert Franciscus sterft, staat Maria Theresia er alleen voor. Bijna 30 jaar lang doet ze het onmogelijke: het bedrijf en haar gezin boven water houden. Wie haar niet respecteert, zet ze op zijn plaats. Zelfs in oorlogstijden laat ze de persen draaien. 

“U kan zich voorstellen hoe het onverwachte overlijden van mijn dierbare echtgenoot mijn hart met droefheid heeft doorboord; ik, die als een zwangere weduwe met een jong gezin van vijf jongens en een meisje nu achterblijf met het beheer van onze Plantijnse Drukkerij, en die ik in al haar luister aan onze kinderen zal trachten door te geven.”  

Uit een brief van Maria Theresia Borrekens 

Achtste generatie - Jacob Paul, Lodewijk Frans en Frans Jozef Moretus

Antwerpen staat onder Frans bewind en de elite vlucht weg. Na bijna 250 jaar ononderbroken bedrijvigheid vallen de persen in 1801 stil. Op de koop toe is er onduidelijkheid over het eigenaarschap: door de chaotische toestand liet Maria Theresia Borrekens geen testament na. Daardoor hadden haar vijf overlevende zonen elk recht op een evenwaardig deel. Het is het begin van een stoelendans.

Eerst treedt vrijgezel Jacob Paul op als kopman, daarna deelt hij het leiderschap met de eveneens ongehuwde Frans Jozef en Lodewijk Frans. Samen doen ze verwoede pogingen om de drukkerij nieuw leven in te blazen. Helaas. De boekverkoop loopt nog, maar teert op de bestaande stock. Onder Napoleon sluit de winkel zelfs, maar na de bevrijding in 1814 gaan de deuren opnieuw open. Komt het nog goed? 

Negende generatie - Albert Moretus, Edward Moretus en Albertine du Bois

België is geboren en dankzij de haven gaat Antwerpen opnieuw een gouden handelstijdperk tegemoet. Maar Albert Moretus – neef van overgebleven broer Lodewijk Frans – laat het idee om de drukkerij opnieuw op te starten aanvankelijk varen. Hij beschouwt zichzelf niet als een drukker en gebruikt de Officina enkel nog als statussymbool. Intussen verdient hij zijn brood vooral als grootgrondbezitter. 

In 1828 zet Albert de persen toch weer in gang. Omdat winst niet van tel is, investeert hij nauwelijks in innovatie. De drukkerij raakt hopeloos verouderd en wanneer zijn 61-jaar oude broer Edouard Moretus overneemt in 1865, is het bedrijf op sterven na dood. Die volgt officieel in 1870. Amper zes jaar later koopt de stad Antwerpen de gebouwen op en vormt ze om tot het Museum Plantin-Moretus. 

“Het Plantijnse gebouw stort neer, de drukkunst is aan het treuren, en de kleuren rood en zwart kwijnen stillaan weg ... Zwijg toch, minnaars van deze kunst! Want al schijnt zij tegenwoordig dood te zijn, er leeft een waardig man, behulpzaam in deze tijden van nood, de edelgeboren heer Albert Moretus, uitverkoren in Gods voorzienigheid, die zal herstellen wat is verloren!”  

Hulde van het drukkerspersoneel aan Albert Moretus bij de heropening in 1828