Al in oktober 1575 was Plantijn begonnen met het drukken van het boek. Uit zijn brief van 17 december 1575 aan Turrianus leren we dat hij al enkele gedrukte bladen aan de auteur had bezorgd via Pedro Trigoso, een jezuïet die toen in Antwerpen verbleef en die toezicht hield op het drukken van de tekst. Turrianus had er zich over beklaagd dat zijn tekst niet correct was gevolgd waarop Plantijn alleen maar verontschuldigingen kon aanbieden en verzekeren dat hij nog liever iets zou fout drukken dan zelf iets te veranderen.
Deze brief aan Turrianus van februari 1576 laat uitschijnen dat Turrianus zich had boos gemaakt dat Plantijn alleen de Latijnse vertaling wou drukken en niet de oorspronkelijke Griekse tekst. Misschien was Plantijn bang dat het werk, dat nu al meer dan 400 pagina’s telde, te omvangrijk zou worden om nog voor een redelijke prijs te verkopen.